Over mij

Kriebelende panty’s, kleffe zoenen en een bakje troost

Ik ben Dees Priem en ik ben getrouwd met Onno. Samen hebben we 5 kinderen en ben ik het ‘baasje’ van 2 honden. Ik ben opgegroeid in de omgeving van Arnhem en ik heb deze rustige omgeving verruild voor de roerige Randstad. Als je me vroeger de vraag stelde; “Wat wil jij later worden”, kon ik je oprecht het antwoord daarop niet geven. Ik vond als kind namelijk alles leuk. Politie te paard bijvoorbeeld. Beetje raar eigenlijk, gezien mijn angst voor paarden. Maar ik vond het wel stoer.
Koken vond ik ook erg leuk. Als klein kind gluurde ik al in alle pruttelende pannen. Dus waarom geen kok worden? Of stewardess? Zo kan ik nog zoveel beroepen opnoemen waar ik blij van werd. Al die beroepen hadden één gemene deler: dienstbaarheid.

Uiteindelijk ben ik in de horeca beland. Ook daar staat dienstbaarheid voorop. Café, bistro of sterrenrestaurant. Het maakte mij niet uit. Overal voelde ik me thuis. Want hét contact met de mens; dát is waar ik blij van werd. Maar vooral het geven van gastvrijheid. ‘Voel je vooral welkom’ was, en is nog steeds mijn motto. Het is onderdeel van mijn ‘zijn’. Mijn Indische genen zullen daar vast een rol in spelen.

Na wat omzwervingen belandde ik in het bedrijfsleven. In die tijd werd ik van dichtbij geconfronteerd met de dood. Helaas moesten te veel dierbaren het leven loslaten. Teveel dood in een korte periode. Teveel uitvaarten om bij te wonen. En telkens viel mij daarbij steeds één ding op. 
Opmerkelijk vond ik het ongemak waarin ik me elke keer weer bevond. Het keurslijf in de uitvaartwereld. De ongeschreven regels die je diende te volgen omdat ze nou eenmaal zo vanuit traditie voortvloeiden. De aloude tradities van de begrafenissen uit de jaren ’70 en ’80, de tijd waarin ik ben opgegroeid, waren nog steeds duidelijk zichtbaar in het nieuwe Millennium. In 30 jaar tijd was daarin nauwelijks wat veranderd.

Waarom bleef dat onveranderd? En waarom doen we het dan eigenlijk niet anders? We mogen het geleefde leven van onze dierbaren toch ook vieren. Waarom zouden we geen uiting mogen geven aan de dankbaarheid dat we ons leven met diegene konden delen? Dát gevoel bleef maar knagen. 

Ik belandde in een hevige en langdurige burn-out. Veelvuldig werd ik overmand door hevige paniekaanvallen. Met een overdosis ‘liefde en geduld’ van mijn gezin en na eindeloze wandelingen met mijn harige vriendjes Floyd en Sophie, heb ik de zon weer door de wolken zien komen.

Ik heb mijzelf en het leven eens goed onder de loep genomen en kwam tot de conclusie dat ik meer zingeving in mijn leven nodig had. Ik wilde meer bieden, dan alleen de gastvrijheid voor een leuke avond, met lekker eten en een heerlijke wijn. Ik wilde écht iets betekenen. Troost en kracht geven in tijden die somber en donker zijn. Anderen helpen om ook weer die prachtige zon te zien. Want puur geluk zit in de kleine dingen.
Ik besloot mijn leven om te gooien en de stap in de wereld van de uitvaart te zetten. Ik ging weer naar school om uitvaartbegeleider te worden…

…en ruilde het kopje koffie in, voor een bakje troost. 

Kriebelende panty’s

In 3-delig zwart of in een lange rok met kriebelende panty’s eronder, schoven we ongemakkelijk over de kerkbankjes. Wachtend op steeds weer eenzelfde toespraak van de voorganger. En alweer galmden dezelfde melodieën uit de speakers, net als bij de uitvaart ervoor…, en daarvoor. En als die toespraak dan was afgelopen, schoof je enigszins met opluchting aan de koffietafel waarbij steevast het broodje ham of kaas en een kop soep werd genuttigd. Het oorverdovend gefluister galmde weergaloos door de stille ruimte. Want iedereen sprak op fluisterende toon met zijn tafelgenoten. Waarom eigenlijk? Mocht niemand horen dat je moest lachen om een grappige anekdote? En je moest vooral toch bedroefd zijn. Want dat is de etiquette. Het is namelijk een tijd van rouw en verdriet. En vooral een tijd van héél veel zwart. 
Na een uur van krampachtig handjes schudden en kleffe zoenen was je verlost van deze ongemakkelijke situatie waarin je liever niet had gezeten. Je kon eindelijk naar huis. Op naar een nieuwe, volgende dag. Zonder je geliefde. Want het leven gaat toch gewoon door?

en kleffe zoenen.

Maar wáár was jij toch al die tijd? Wie was jij? Waar hield jij van? Je hield toch zo van bitterballetjes eten met een lepeltje? Waarom hebben we die dan niet gegeten met dat koude glaasje Chardonnay wat jij ook zo lekker vond? Soms nam je er zelfs ééntje meer dan goed voor je was. Waarom hebben we niet onbedaarlijk gelachen om jouw klunzigheid. Want wat kon je toch klunzig zijn. Dat wist toch iedereen? En empathisch? Dat moest je soms in het woordenboek opzoeken. Maar mensen die je goed kenden, wisten wel beter. Grote mond, klein hartje. Dat was je ten voeten uit. Het bos was je lust en je leven. Daar hield je zo van. De rust en de natuur. Waarom zaten we dan in zo’n kille ruimte, waarbij ik alleen nog maar kon denken aan hoe koud ik het had. Eigenlijk heb ik niet eens ‘gevierd’ dat ik je heb ‘mogen’ kennen. Want ik ben blij dat ik je gekend heb. Dat je mijn leven zo hebt verrijkt. Natuurlijk ben ik verdrietig omdat ik je mis. Maar je nu zo koud geworden lijf, heb ik niet nodig om je te missen. Je bent nog steeds heel dicht bij mij. Je verwarmt mijn hart nog steeds met mooie herinneringen. Jij blijft bij me, want ondanks dat ik je vandaag stevig loslaat, houd ik je voor altijd vast.

↑ Top of Page